Als Ze Maar Van Me Afblijven

Hoe is het gesteld met de homo-emancipatie in Nederland? De vraag drong zich meer en meer op aan documentairemaker Botte Jellema, zeker toen Ronnie en Jasper begin april in elkaar werden geslagen in Arnhem, omdat ze hand in hand liepen. Het zoveelste geval van anti-homogeweld. Het geeft een onveilig gevoel, en het is lastig te rijmen met het feit dat Nederland al jaren bovenaan staat in de lijstjes over homoacceptatie.

‘Als Ze Maar Van Me Afblijven’ is een radiodocumentaire die Botte Jellema begin 2017 maakte voor RadioDoc van de NPO over de acceptatie van LHBT’ers. Veel minderheden kennen acceptatie onder voorwaarden, maar de voorwaarde ‘als ze maar van me afblijven’ wordt alleen over LHBT’ers1 geuit. 


De documentaire is te beluisteren door hierboven op de play-knop te klikken.

“Ik ben maandag pas naar het ziekenhuis gegaan. En toen werd heel snel duidelijk dat mijn kaak op drie plekken gebroken was. Toen heb ik twee maanden met m’n tanden op elkaar gezeten.” Sjaak Ridder, zelfstandig kapper in Amsterdam, wilde niet naar het ziekenhuis. Want het was feest in de stad: Gay Pride. Hij hoopte dat het gewoon wat zou opknappen, zodat hij daar alsnog naar toe kon. Maar de klappen die hij zaterdagnacht had gekregen, waren daarvoor toch te ernstig.

“Ik liep samen met een vriend naar huis, door het centrum van Amsterdam, om een uur of vier ’s nachts. We waren jolig. We hadden flink gedronken. We liepen met een arm om elkaar heen en waren supervrolijk. Ik had enorm veel zin in de Gay Pride. Ik had een week vakantie genomen en het was supermooi weer.”

“Toen kwam die gast achter ons aan, roepend ‘Flikkers! Kom dan! Neuk me dan! Als je dat zo lekker vindt, doe het dan ook bij mij!’, een beetje met die toon. Eerst probeer je het gewoon te negeren en wil je gewoon door lopen. Maar op een gegeven moment ben je het toch wel zat. Dus dan zeg je: wil je je mond houden en ga naar huis toe, het is voor ons ook een late nacht, wij gaan ook pitten.”

“Nou ja, het hield gewoon niet op. Toen ben ik doorgestoken bij een klein straatje. Daar woon ik. Ik ging een trappetje naar beneden toe en toen rende hij echt achter ons aan. En toen was het: echt, echt knock-out klappen. Het was echt een getrainde gast, die gewoon flink was doorgesnoven. Ik kan z’n gezicht nog heel goed voor me zien.”

Sjaak vertelt zijn verhaal in de documentaire via het internet vanaf Sri Lanka. Hij maakt momenteel een reis door Azië, in z’n eentje. Dat heeft zijdelings te maken met wat hem vorige zomer overkwam tijdens de Gay Pride. Hij kreeg last van schrikreacties op straat, en had ’s nachts last van nare dromen. Hij is die met een therapie voor post-traumatische stress te lijf gegaan. Sjaak maakt nu een opgewekte indruk, maar hij heeft geen behoefte om teveel met de rechtszaak bezig te zijn. Hij wil het achter zich laten.

Hoe vaak komt anti-homogeweld nou voor?

De politie registreert sinds 2007 of incidenten gerelateerd zijn aan gender-identiteit of geaardheid. Er is bij de politie een Roze in Blauw team dat zich er speciaal mee bezig houdt. Woordvoerder Ellie Lust heeft het nu over een kleine zeshonderd incidenten, versus 234 in het eerste jaar van de registraties. Maar ze geeft meteen aan dat dit hogere getal wel eens het ‘Roze in Blauw’-effect kan zijn: een van de belangrijkste doelstellingen van het team is om de meldings- en aangiftebereidheid onder LHBT’ers te vergroten.

Wel leven we in een tijd waarin verhalen over anti-homogeweld en andere incidenten sneller gedeeld worden. Ook de traditionele media hebben er meer aandacht voor dan voorheen. Dat kan van invloed zijn op het gevoel van hoe vaak het voorkomt.

Zowel de politie als het Sociaal en Cultureel Planbureau zeggen dat ze niet de indruk hebben dat het de laatste jaren erger is geworden met anti-homogeweld. Al zijn er geen cijfers om dat te onderbouwen. “Als je alleen al kijkt naar de opvattingen over LHBT’ers van nu, vergeleken met twintig jaar geleden, dan valt eerder het tegenovergestelde te verwachten”, zegt Lisette Kuyper van het SCP in de documentaire.

Wat is precies een incident, gerelateerd aan gender-identiteit of geaardheid?

Begin maart werd in het Oosterpark in Amsterdam op een homo-ontmoetingsplaats een man doodgestoken. Het is nog niet duidelijk of de geaardheid van de man de motivatie voor de dood was, maar dit is mogelijk het ernstigste recente geval: de dood.

Dan zijn er de lichamelijke mishandelingen, zoals bij Ronnie en Jasper. Ronnie verloor vijf tanden, maar de verdachte ontkent dat de aanval te maken heeft met de geaardheid van de slachtoffers. Bij Sjaak kan je er ook nog over twisten of de geaardheid van Sjaak en zijn stapmaat de motivatie voor het zinloos breken van de kaak was. Misschien speelt drank, drugs en groepsgedrag een sterkere rol. Het is vaak een mix, en daardoor is vervolging op basis van anti-homogeweld ongelooflijk ingewikkeld.

Feit is dat in alle gevallen het de vraag is of de situatie de uitkomst had gekregen die het nu had, als de geaardheid of gender-identiteit van de slachtoffers geen rol had gespeeld. Voor Roze in Blauw is dat in ieder geval leidend. De politie wil in ieder geval het liefst alle incidenten weten: ook scheldpartijen, discriminatie, pesterijen.

Hieruit wordt wel duidelijk hoe complex het registeren hier van is. En ook zal iedereen aanvoelen – dat weet Ellie Lust ook heel goed – dat de politie lang niet alles weet.

Wie zijn de daders?

In 2015 zijn negen mensen veroordeeld voor discriminatie en geweld tegen homo’s. Dat is schrikbarend weinig, en het COC vindt dat daar meer werk van moet worden gemaakt. Je kan dus nauwelijks iets zeggen over daders2, als je maar negen gevallen hebt.

Er zijn wel veel meer verdachten. Daarover is een paar jaar geleden een politierapport (PDF) geschreven. In dat rapport wordt gekeken naar registraties van anti-homogeweld3 tussen 1 januari 2009 en 1 september 2013 bij de politie. Ook hierbij benadrukt de politie dat ze lang niet alles te weten zijn gekomen, maar de gebruikte methode is ‘op dit moment best practice en heeft zich ook in het verleden binnen de politie effectief bewezen’.

De meeste focus in de maatschappelijk discussie ligt op de etniciteit van de verdachten, en specifiek op mensen met een Marokkaanse achtergrond. De politie registreert etniciteit van verdachten niet, maar wel de nationaliteit.

16,6% van de verdachten van anti-homogeweld hebben de Marokkaanse of Marokkaans-Nederlandse nationaliteit4. Dat is een oververtegenwoordiging, want slechts 2,25% van de Nederlanders heeft een Marokkaanse achtergrond.

In Amsterdam lijkt een nog groter aandeel van de verdachten een Marokkaanse achtergrond te hebben. Uit een onderzoek van Laurens Buijs, Gert Hekma en Jan Willem Duyvendak uit 20085 blijkt dat 36% van de verdachten in Amsterdam van Marokkaanse afkomst is.

Het is duidelijk dat daar een probleem is. Het overgrote deel van de verdachten van anti-homogeweld is echter Nederlander: 61,8%.

Er zijn rare interpretaties van dit rapport verschenen. Het AD en Joop.nl kopten dat er geen oververtegenwoordiging van Marokkanen is, maar dat is er wel. Kritiek is er ook omdat uit het rapport blijkt verdachten zo vaak Nederlanders zijn. Dat kunnen we blijkbaar maar moeilijk accepteren. Die kritiek wordt echter nooit met cijfers onderbouwd6. Voorlopig is het politierapport het beste inzicht dat je kan krijgen in de landelijke cijfers, en het rapport van Buijs over de Amsterdamse situatie.

Wel kan je stellen dat we veel niet weten. Dat staat ook in het politierapport. Maar dat ontkracht wat er in het politierapport staat niet. We mogen ons met reden zorgen maken over de opvattingen onder autochtone Nederlanders.

Wat betekent dit voor LHBT’ers?

De algemene indruk is dat de homo-emancipatie in Nederland wel af is. Het homohuwelijk wordt gezien als het sluitstuk; uit de LHBT-monitor 20167 van het SCP blijkt dat al jarenlang zo’n 92% van de Nederlanders de stelling homoseksuele mannen en lesbiennes moeten vrij zijn om hun leven te leiden zoals zij dat zelf willen onderschrijft.

Maar het SCP vroeg door. Op de stelling ‘ik vind het aanstootgevend als twee mannen in het openbaar zoenen’, antwoordt 32% bevestigend geantwoord. Terwijl wanneer het over een zoen tussen een man en een vrouw gaat slechts 12% dat aanstootgevend vindt. Seks tussen twee homoseksuele mannen vindt 24% walgelijk. Ook is 31% van de ondervraagden het er niet mee eens dat homoseksuele paren dezelfde rechten moeten hebben bij het adopteren van kinderen.

Dat zijn heel andere getallen dan je op basis van ons accepterende zelfbeeld zou verwachten. De acceptatie van LHBT’ers is aan flink wat voorwaarden verbonden, zo blijkt. ‘Als ze maar van me afblijven’, zo noteert Laurens Buijs regelmatig in zijn rapport uit de mond van geïnterviewden. Er is in zekere mate sprake van schijnacceptatie in Nederland.

Buitenlandse studies laten zien dat LHBT’ers hier last van hebben, psychisch en fysiek. De rechtsongelijkheid, de berichtgeving over anti-homogeweld, het gebruiken van het woord homo en synoniemen daar van om iemand een slapjanus te noemen, raakt LHBT’ers persoonlijk.

De hand vastpakken van een geliefde op straat, gaat gepaard met de gedachten: ‘kan het hier wel, kan het nu’. In plaats van vanzelfsprekende warmte en liefde, is er spanning en waakzaamheid. En dat kruipt onder je huid.

Hoe dealen LHBT’ers met dat soort stress?

Uit internationaal onderzoek blijkt dat LHBT’ers fysiek en psychisch een slechtere gezondheid hebben dan hetero’s8. Als er jarenlang negatief wordt gedaan over een groep waar jij je mee identificeert, ontwikkel je daar (onbewust) een minderwaardigheidsgevoel door. In de kast zitten levert een voortdurende stress op, die je ook na een coming out met je mee draagt. De copingmechanismen kunnen inhouden dat er meer drank- en drugsgebruik is, het seksleven riskanter is en er meer psychische problemen zijn.

Onlangs publiceerde de Amerikaanse site Huffington Post een artikel met de titel ‘The Epidemic of Gay Loneliness‘. Een longread waarin de schrijver drie ‘epidemiën’ in de gay-gemeenschap aan elkaar koppelt: HIV, depressie en middelengebruik. Het artikel is veel gelezen en gedeeld onder LHBT’ers, ook in Nederland. Ze herkenden zichzelf of vrienden er in.

Psychologen verklaren dit fenomeen met het Minority Stress Model van Ilan Meyer. Lisette Kuyper van het SCP is op een onderzoek rond dit minderheidstressmodel gepromoveerd.

“Het gaat slechter met mensen die minderheidstress ervaren, die bijvoorbeeld met negatieve reacties te maken krijgen, of daar alleen maar bang voor zijn, of die heel negatief denken over hun eigen homoseksualiteit. Dat gaat over hun psychische welzijn, maar ook over hun geluksgevoel en hun eigenwaarde.

Het SCP deed ook onderzoek naar jongeren en seksuele oriëntatie in Nederland, en daar kwam uit naar voren dat LHBT-jongeren ruim vier keer zo vaak een poging tot zelfmoord doen als hun heteroseksuele leeftijdsgenoten.

Onderzoeken9 laten zien dat LHBT’ers op drie gezondheidsgebieden slechter scoren dan hetero’s. Ze hebben een slechtere geestelijke gezondheid, ze hebben riskantere seks, en gebruiken meer drank en drugs. Niet alles kan worden verklaard met het minderheid stress model, en niet iedereen heeft die problemen. Maar dit zou je toch niet meer verwachten in 2017.

Moeten we ons beeld over hoe het in Nederland is gesteld met homoacceptatie bijstellen?

Misschien moeten we vooral ons beeld over hoe het wàs gesteld met de homoacceptatie bijstellen. Zowel Ellie Lust van de politie als Lisette Kuyper van het SCP zeggen dat het waarschijnlijk is dat er vroeger veel onder de pet bleef.

“Ik denk dat we ook een beetje wakker zijn geworden, nadat we ons heel lang de Gay Capital hebben genoemd, en we dachten dat alles hier okay is. We hebben het huwelijk, heel veel kroegen, en we hebben een hele lange geschiedenis. Maar inmiddels zijn we er wel achter dat alleen kroegen en een huwelijk niet genoeg is om ons veilig te voelen. Daar zijn we nu eerlijker over geworden. Er bestaan geen gegevens over, maar ik zou zelf nooit beweren dat het in 1995 een stuk beter was dan nu. De opvattingen zijn in ieder geval positiever geworden sindsdien.”

Ook Ellie Lust van Roze in Blauw denkt dat de berichtgeving in de nieuwe mediawerkelijkheid invloed heeft op hoe LHBT’ers zich voelen: “Ik snap wel dat mensen zeggen ‘het wordt onveiliger’. Maar ik denk dat het ook zo is dat elk incident gerelateerd aan geaardheid nu enorm breed wordt uitgemeten in de media, waar dat tien jaar geleden nog heel anders was.”

Nederland is internationaal nog altijd leidend als het gaat om de emancipatie van LHBT’ers. Vorig jaar tijdens de Amsterdam Gay Pride organiseerde Roze in Blauw een internationale conferentie voor criminal justice professionals; waar deelnemers uit 26 landen bij waren. Er was een openingsspeech van de toenmalig Secretaris Generaal van de Verenigde Naties. Ellie’s Roze in Blauw strekt zich inmiddels uit over de hele wereld.

Wat kunnen we doen?

De berichtgeving over de mishandeling van Ronnie en Jasper uit Arnhem heeft de discussie in een stroomversnelling gebracht. Er zijn zinnige dingen gezegd over het aanpakken van de schijnacceptatie. Zoals door fotograaf Erwin Olaf in het tv-programma Pauw, waarin hij samen met het COC pleit voor meer voorlichting op scholen, waar ook op wordt gecontroleerd. En dat het liefst al zo vroeg mogelijk begint. En, zo benadrukt hij, dat gaat niet over seks, maar dat gaat over wat voor verschillende mensen er in Nederland leven.

Ook acties zoals die van presentatrice Barbara Barend geven LHBT’ers een steun in de rug. Het maakt iedereen bewust van deze kwestie.

Ten slotte moeten incidenten bij de politie worden gemeld, en hoe meer hoe beter. En hopelijk gaan we iedereen er direct op aanspreken wanneer ze ‘homo’ als scheldwoord gebruiken. Dat kan anno 2017 toch echt niet meer.

Credits

Dank aan de geïnterviewden Sjaak Ridder, Ronnie & Jasper, Ellie Lust en Lisette Kuyper. Belangrijke achtergrondinformatie kreeg ik van Laurens Buijs, Marja Lust, Michael Hobbes (The Huffington Post) en Micha Schneijderberg. Mediafragmenten in de documentaire zijn afkomstig van Radio EenVandaag, NOS Journaal, Oprah, ANP, Omroep Gelderland, Pauw en Omrop Fryslân.

Met muziek van Bart Westerlaken, en met stemmen van Jan-Paul de Bondt, Matthijs Deen, Sofoula Schalkwijk, Elianne Meijer, Sanne van der Peijl en Vivian Vrolijk.

De eindredactie was in handen van Anton de Goede van de VPRO.