KunstRAI

Over het feit dat ik slecht ben in dingen onthouden heb ik mij nooit echt zorgen gemaakt. Mijn hoofd draait ook cijfers om – voor mij is 46 en 64 hetzelfde, tot ik het opschrijf. Met namen ben ik ook een ramp. Daar zijn opschrijfboekjes voor. Mijn hoofd is kennelijk met andere dingen bezig.

Zo beweeg ik mij ook door de kunstwereld, een wereld die voor een deel om namen draait. Ik ken de belangrijkste, natuurlijk, maar veel ook niet. Heel veel niet. En dat is ook weer een voordeel.

Zo kon ik gisteren over de KunstRAI struinen en de bordjes bij de getoonde kunstwerken negeren. Ik kon kijken en merken of het getoonde mij wat deed.

In de krant had ik al wat gezien, namelijk foto’s van Amsterdam en Rotterdam, die van links naar rechts verlopen van dag naar nacht. Een heerlijke kunstrel, die voor buitenstaanders volstrekt oninteressant is, en over de intrinsieke kwaliteiten van het werk ook niks zegt, maar je haalt er de pers mee en kunstminnend Nederland gaat er lekker los op.

Foto: Lars van den Brink

Knap. Ik zag ze in het groot hangen op de KunstRAI. En het deed me niks. Ja, ik ken die steden, dus leuk om te zien. Maar verder kon ik er niks mee.

Dat had ik met veel kunstwerken op de KunstRAI. Ik zag veel mooie fotografie (dat heeft mijn interesse), die opvallend vaak in het verlengde van het werk van Erwin Olaf was. Veel werken die iets met infrastructuur of auto’s te maken had, zoals topshot foto’s van the grid van Manhattan, decay porn van verlaten VW Kevers of een klassiek portret van een vrouw met een autoband als kraag om haar nek.

Het deed me niet zoveel. Maar kunst is een individuele beleving, dus dit oordeel is volstrekt particulier.

Drie kunstwerken die er stonden deden mij wel iets, en om onduidelijke redenen zijn dat alle drie beelden.

De eerste stond meteen naast de ingang, en was maar klein. Boven een sokkel stak het nog geen meter de lucht in. Een erg goed naar de werkelijkheid gebeeldhouwd kind dat enigszins nors kijkt. Het houdt een groene, houten ladder vast, die in het luchtledige steekt. Daarvoor zien we drie boomstronkjes; het kind heeft niets meer om de ladder tegenaan te zetten.

Het is een werk van Christian Verginer en heet ‘Missing’. Omdat het zo realistisch is, toont het vakmanschap, en niet in de laatste plaats is het in z’n eenvoud een heel sterk idee.

Ik moest meteen denken aan Trump, die in de voorgaande week aankondigde dat Amerika zich terugtrekt uit het klimaatakkoord van Parijs: je put de natuurlijke bronnen uit om iets te doen dat zinvol lijkt, maar waar doe je dat uiteindelijk voor.

Een krachtig beeld.

Het tweede die mij raakte was van een heel andere aard. Een meer dan manshoog mens, leunt iets achterover en heeft een kwade hond aan een lijn. Beide lijven zijn opgebouwd uit strengen van gesmolten plastic, die in zilver zijn gespoten. Je kan er doorheen kijken, en binnenin zit iets van een diep paarse kleur.

De twee lijven houden elkaar in evenwicht; de mens leunt iets achterover en de hond hangt in de lijn. De hond is angstaanjagend. Ook die is meer dan levensgroot, en de tanden komen bijna tot op ooghoogte. Er zit veel spanning in het beeld. Het is gemaakt door Mathieu Klomp.

Het leuke was dat Mathieu er op de KunstRAI zelf naast zat, onopvallend, in een tuinstoeltje. Ik sprak even met hem en hij vertelde over dit werk. Bijvoorbeeld dat hij het expres geen sokkel(s) mee heeft gegeven, want nu zit er realistische spanning in het werk. En dat voel je. Een sokkel is valsspelen.

Er is veel aan te zien, maar een detail dat mij nog opviel is dat de kop van de hond minutieus en gevaarlijk is uitgewerkt, terwijl de kop van het mens, ja, feitelijk ontbreekt.

En ten slotte was er dit.

De portretten zijn onderdeel van ‘Een Papieren Monument Voor De Papierlozen’. Dat is – ik citeer – een kunstproject opgezet ter promotie en steun aan de papierloze/ongedocumenteerde vluchtelingen in Nederland, door hen letterlijk een gezicht te geven in houtgravures.

Op zich een sympathiek project, omdat het probeert iets warms toe te voegen aan het soms kille narratief rond dit onderwerp. Ik moet alleen zeggen dat de portretten mij niet echt kunnen bekoren, zonder de context van dit project.

Ik bedoel: als je dit ophangt, moet je dat verhaal er wel altijd bij vertellen. Dat is misschien de bedoeling, maar lijkt me ook wat vermoeiend.

Het meest opvallend is dat grote verlichte reclamebord dat er naast staat, met de kleuren van onze vlag. Een directe verwijzing naar het gebruik van de Nederlandse vlag om teksten op te schrijven door extreem rechtse clubs als de Nederlandse Volks-Unie.

De beladen discussie over asielzoekers schiet dus meteen in je hoofd, als je dit ziet. Het is duidelijk dat dit bord direct op de zere tenen staat van extreem rechts, in al z’n onverzettelijkheid. Maar ook van de linker zijde bekeken doet-ie pijn.

Het simpele feit dat er asielzoekers bestaan, door heftige ellende zoals in Syrië, is namelijk nogal niet okay. Ik bedoel: je wenst het je ergste vijanden niet toe. En waarschijnlijk is van extreem links tot extreem rechts het daar uiteindelijk wel over eens. Daarom is dit bord voor mij zo heftig. Of goed. Of slecht.

Nu werd dat hele kunstverhaal ineens politiek, en ook weer niet. Stof tot nadenken. Maar dat was dat eerste beeldje eigenlijk ook al. Daar is mijn hoofd kennelijk graag mee bezig.