De afgelopen dagen maakte ik fantastische interviews met interessante mensen over de kwestie ironie

De interessante mensen zijn Louise Korthals, Freek de Jonge, Perre van den Brink, Linda Duits en Ype Driessen. Hoe die allemaal bij elkaar komen, hoor je volgende week zondag in het programma RadioDoc op Radio1. Want er komt een nieuwe documentaire aan. Over de kwestie ironie.

~ Ironie is bedekte spot, doordat je het tegenovergestelde zegt van wat je bedoelt.
Voor deze documentaire raakte ik geïnspireerd door een interview in Nooit Meer Slapen met Joost de Vries (ik schreef er hier eerder al over) en vooral door een opiniestuk van Christy Wampole op de site van de New York Times. Hieronder vat ik dat in het Nederlands zo’n beetje samen. Laat vooral weten wat je er van vindt, en hou mijn blog in de gaten voor het laatste nieuws over de documentaire.

 

Christy Wampole schreef in een opiniestuk (‘How to live without irony’, NY Times 2012) dat Generatie Y (millennials, geboren in de jaren ’80 en ’90) er een ironische levenshouding op nahoudt. Een deel van deze generatie, de blanke middenklasse, nu twintigers en dertigers, is extreem zelfbewust en laat alles er uitzien als een grapje. Ze gebruiken deze ironie als een schild: kritiek kan hen niet raken, omdat het niet over henzelf gaat. Ze zijn onaanraakbaar.

De neiging naar ironie is overal, in reclame, politiek, mode en televisie, zowel online als in de echte wereld. Bijvoorbeeld commercials die het eigen format op de hak nemen; op voorhand bevestigen ze al dat ze niets zinnigs kunnen bereiken. Dus lach er maar om. Je kan ze ook niet bekritiseren, want ze hebben zich volledig ingedekt. Dit gaat ook op voor een ironische levenshouding.

Ironie is een zelfverdedigingsmodus. Het stelt iemand in staat om verantwoordelijkheid te ontwijken. Dientengevolge, zegt Wampole, worden millennials ook nooit geraakt. Ze zijn niet in staat om zonder ironie een relatie, passie of carrière te kiezen. Het is een weinig benijdenswaardige cultuur: niets en niemand doet er echt toe.

Wampole verklaart het deels door de overtuiging dat deze generatie in culturele zin weinig heeft te bieden; alles is al een keer gedaan en elk serieuze commitment aan een ideaal wordt uiteindelijk ondermijnd. Het zorgt er voor dat men zich indekt en een defaitistische houding aanneemt. Het internettijdperk faciliteert snelle verspreiding van fenomenen, zo ook de ironische houding.

In de laatste decennia hebben we veel vaardigheden geleerd, zoals multitasking en omgaan met geavanceerde technologie. Maar andere vaardigheden hebben daar volgens Wampole onder geleden, zoals de kunst van converseren, de kunst van mensen observeren en de kunst om te worden gezien: “Ons gedrag wordt niet meer bepaald door subtiliteit, finesse, elegantie en aandacht; kwaliteiten die hoog aangeschreven werden in eerdere decennia. Introversie en narcisme voeren nu de hoogste toon.”

Het is een first-world problem; het bestaat bij de blanke westerse middenklasse. Maar het gaat over mensen die cultureel afgestompt, afgehaakt en verslagen zijn. Als het leven een verzameling kitscherige objecten, een eindeloze serie sarcastische grappen en pop referenties is, in een competitie in wie het ’t minst kan schelen, dan gaat er wat mis.

Ironie heeft in de geschiedenis verschillende functies gehad. In penibele situaties kan een ironische grap verlichting en hoop geven: door het tegenovergestelde te zeggen van wat je bedoelt kan je kou uit de lucht halen in een gespannen situatie. Maar de moderne ironie is niet meer retorisch. Het is het leven zelf binnengedrongen. Deze ironie kan leiden tot leegheid en oppervlakkigheid van individuen en collectieve psyche, aldus Wampole.

Het is een vacuüm. In de geschiedenis hebben vacuüms zich regelmatig gevuld met iets gevaarlijks. Fundamentalisme, dictators, politiek geradicaliseerden. Wat is ons alternatief?

“Afwijken van het ironische houdt in: zeggen wat je bedoelt, bedoelen wat je zegt, en ernst en openhartigheid gebruiken als manieren om je uit te drukken, ondanks de inherente risico’s. Het betekent het cultiveren van oprechtheid, nederigheid en bescheidenheid, en het afwijzen van frivoliteit en kitsch als collectieve waarden.”