bottejellema.nl

student sociaal juridische dienstverlening

GoverwelleVooral de nare bromtoon, die eigenlijk best hard was stoorde me. Als de trein reed hoorde ik ‘m niet, maar nu stonden we al een paar minuten stil op een station. En dan begint dat te irriteren.

In de coupe van de Sprinter zat verder niemand. Vanaf het verhoogde spoor zag ik beneden een jongeman een kaartje kopen. Hij had een horizontaal gestreept shirt aan. Ik keek extra goed, omdat ik dat nu eenmaal bij jongemannen doe, en omdat er hier verder toch niets te zien was. Er raasde een intercity voorbij. Ik verloor hem uit het oog. Jammer.

We waren Gouda net voorbij, van Den Haag naar Utrecht. Daar hebben ze langs het spoor zo’n kleurige geluidswand geplaatst. Dat moet in 1991 zijn geweest, want toen maakten ze alles zo lelijk. Ongeschilderd beton; glazen panelen zonder rand die nu onder de graffiti zitten en overdreven dikke stalen buizen die alles bij elkaar houden, in vaal rood, vaal groen en vaal blauw. Je zal hier toch wonen, dacht ik.

Ineens loopt de jongeman door het gangpad naast me. Hij streek in het voorbijgaan met een hand door z’n blonde haar. Mijn hart maakte een onbestemd sprongetje, toen hij achter mij ging zitten. Ik vroeg me af hoeveel hij van mij ziet, met zo’n zitting er tussen. Ik probeerde het me voor te stellen aan de hand van de stoel voor me. Ik ging anders zitten. Wat nergens op sloeg en ongemakkelijk was. Maar toch deed ik het. De trein stond aldoor stil.

De stem van de conducteur klonk door de omroepinstallatie. Ze hadden vanonder het laatste treinstel een brandlucht geroken. Achter me hoorde ik een lacherige verzuchting. Zolang ze niet wisten wat het was zou de trein niet verder rijden. “Gelukkig. Wij zitten in het voorste. Laten we verder rijden,” wilde ik tegen de jongen achter mij zeggen. Maar dat zou natuurlijk nergens op slaan.

Ik deed de dopjes van mijn iPod in mijn oor. Ik haalde de rechter er weer uit. En stopte ‘m er maar weer in. Ik wist het ook niet. Buiten zag ik een gebouw met ontiegelijk lelijke kleuren, zelfs voor die omgeving. Roze kozijnen, knalblauwe balken en groene deuren. Ik zag door de ramen van het gebouw dat het een school moest zijn. Ik vond het geen excuus.

De stem van de conducteur klonk weer. De trein zou niet verder rijden en we moesten uitstappen. Toen we dat hadden gedaan reed de trein verder, want hij kan natuurlijk ook niet bij dat perron blijven staan. Maar raar was het wel. In het voorbijgaan roken we hete motorolie, wat toch gek is voor een elektrische trein.

We waren samen als enigen uit die coupe gekomen en dat schiep op dat perron toch een band. “Zo ruikt mijn auto altijd,” durfde ik, en hij lachte. Ik haalde een vest uit mijn tas. Hij greep zijn mobiel, dat het weer eens zo ver was.

“Waar zijn we eigenlijk?”
“Gouda Goverwelle. Je wil hier niet zijn.”
“Dat klopt. Woon je hier?”
“M’n ouders. Ik ben het twee jaar geleden ontvlucht.”
“Waar studeer je?”
“In Utrecht, Sociaal Juridische Dienstverlening. Wel leuk. En wat doe jij?”
“Journalist. Ik maak radio. Ook wel leuk.”
“Ah je bent al klaar dus.”

Hij dacht dat ik nog studeerde, leidde ik uit die laatste zin af. Het deed me goed dat hij dacht dat we gelijk waren. Het was best een soepel gesprek. Zo ging het rustig door tot er na een paar minuten een volgende trein kwam. We stapten in en hadden wederom een coupe voor onszelf. Hij ging me voor en nam rechts plaats in een vierzit.

Ik durfde niet. Ik ging aan de overkant van het gangpad zitten.

Goverwelle. Ik had er werkelijk nog nooit van gehoord. Ik zit ook nooit in die stoptrein. Het leek me een soort Leeuwarden Camminghaburen, met ook zo’n tweedehands jaren ’90 station. Waar ze een keer in de tien jaar een lijk in het water zien drijven. Zo’n deel van een stad waar iedereen minstens een auto heeft. Behalve de jongeren, die dat niet hebben, daarvoor is dat station. Om te ontvluchten. Ik keek even naar rechts. Begin twintig. Spijkerbroek. Geen jas, geen tas. Van Goverwelle naar Utrecht, that’s one small step for a man..

De trein reed verder en het gesprek was gestopt. Ik wilde weten hoe het was geweest in Goverwelle, of hij z’n ouders nog vaak ziet, hoe hij heet en waar hij nu naar toe gaat. Ik moest er al bijna weer uit, de trein minderde vaart. Ik verzon zelf de antwoorden maar: eenzaam, soms, Tim, kamer.

“Dag Tim, student sociaal juridische dienstverlening. Google dat overmorgen maar even,” zou ik bij het verlaten van de trein zeggen. Dan zien we daarna wel of we Eerste of Tweede Kerstdag in Goverwelle zijn. Maar ik wenste hem succes.

Share
6 comments
  1. René says: 28 juli 200917:30

    Gunst, Botte, dit klinkt bijna als ‘n filmscript. ‘n Romantisch filmscript nog wel. Dat je dat in je had! (O ja, je hebt Maurice gezien.)

    • botte says: 28 juli 200921:27

      ja nee, nog niet… kan je nagaan!

  2. Aemilius says: 29 juli 200912:58

    Broeierig, broeierig. Je moest eens weten, hoe dikwijls broeierigheid mijn geest bezompt. Ik win het met gemak van je, maar vertel het niet door.

    En wat doe je nou als Timmetje hier komt koekeloeren en al deze geiligheid over zijn persoon leest?

    • botte says: 29 juli 200915:52

      Je bent in het vijf-na-laatste woord een z vergeten.

      • Aemilius says: 30 juli 200901:29

        Had ik “dee” getikkerdetikt en heb je dat voor mij verbeterd? Dank daarvoor dan!

        Baie interessant al deZe meta-correcties natuurlijk, maar oekepoekje, zeg nou eens inhoudelijk: wat doe je dán, als hij je verhaal zou lezen? Zou je blozen?

        Ik zou blozen, in elk geval beschaamd glimlachen. En dat is ook mooi.

  3. Gijsbert says: 29 juli 200913:12

    Mooiste zin in het verhaal naar mijn onbescheiden opvatting: ‘Dan zien we daarna wel of we Eerste of Tweede Kerstdag in Goverwelle zijn.’

Submit comment