Het was een fijn weekend. Ik heb veel vrienden van ver gezien, die ik dus niet vaak tref. We hadden alle tijd om bij te praten, wat we deden.
Ik ben in de leeftijd (‘IK BEN IN DE LEEFTIJD’! NOU JAAA!!!) dat de mensen om mij heen serieuze banen hebben en huizen kopen. Al die vrienden stelde ik dus steeds een beetje dezelfde vragen: hoe is het op je werk en hoe bevalt je huis. En ik kreeg ook steeds die vragen. Niet dat het vervelende vragen of antwoorden zijn, hoor.
Op een gegeven moment kwam daar in mijn richting, in ieder geval, een vraag bij: hoe is het in de liefde? Nou daar kon ik dan kort over zijn: nee, niks, niets op het oog en aan mijn lijf verder geen polonaise. Er waren een paar vrienden die dat beschouwden als een ongewenste situatie.
En dan kwam het, zeker een keer of drie: “Oh, op mijn werk heb ik nog een hele leuke jongen!”
Alsof ik een bureaustoel nodig heb ofzo. Meestal volgde er na die zin een paar kenmerken van de collega in kwestie, die natuurlijk nooit negatief waren. Dus dat kon ik met goed fatsoen ook niet wegwimpelen met de polonaise-opmerking. Maar ik zei dan stoer wel zoiets, of ik lachte wat, ik ga toch niet met jouw collega daten, kom kom.
Alleen gaat het dan stiekem wel mis. Want ik blijf toch denken van ja, maar als het nu
reageren