Van een collega mocht ik het boek ‘Extreem Luid en Ongelooflijk Dichtbij’ lenen. Dat ben ik nu aan het lezen. De hoofdpersoon in het boek is het jongetje Oskar. Vanochtend las ik de scène waar hij in een schooltoneelstuk Yorick’s schedel moet spelen in Hamlet.
Dat doet hij een aantal avonden achtereen en op de derde avond overkomt hem wat mij ook regelmatig gebeurt: hij ziet het nut van het alles niet meer in. Hij fantaseert dan dat hij als dode schedel uit zijn rol valt en plotseling begint te praten. Hij slaat zijn tegenspeler tot bloedens toe in elkaar, omdat dat het enige is dat nut heeft. Die had namelijk zijn lieve oma belachelijk gemaakt ten overstaan van de rest van de klas. Maar Oskar blijft in zijn rol en het blijft bij een fantasie.
Terwijl ik dat las, dacht ik terug aan mijn schooltijd. Ik denk dat ik in de vijfde klas zat (dat zal nu groep zeven heten ofzo; ik ben een van de laatsten die nog in een klas zat, nog brugklas en havo deed, nog studiepunten kreeg en nog doctorandus werd), toen we als jaarafsluiting kleine toneelstukjes moesten doen. Het enige wat ik er nog van weet is dat ik als boer verkleed ging – uiteraard. Ik had een blauwe overall aan, met een rode zakdoek om mijn nek. De puntjes daarvan werden op mijn hals bijeengehouden door de omslag van een Zwaluw-lucifersdoosje. We speelden in groepjes kleine scènetjes. In ieder geval geen Hamlet; Shakespeare was niet zo populair in Scharnegoutum.
Ik was verliefd op een meisje in de klas. In mijn beleving waren alle jongens verliefd op haar, maar ik had haar ooit meegenomen in de trekker. Daar moest ik later strafwerk voor maken van heit, maar dat maakte niet meer uit. Ik was elf en de punten waren gescoord.
Mijn toneelstukje was geweest, want mijn herinnering begint daar waar ik opgelucht weer in mijn schoolbankje zat. Erg opgelucht; zo opgelucht dat ik de wereld wel aan kon! Nu moest het meisje. Mijn belangrijkste herinnering aan die tijd, naast deze, is dat ik ooit in een spel hand-in-hand met haar over het schoolplein mocht rennen. Ze speelde met een vriendin en twee vriendjes haar stukje. Zij en de vriendin waren zwervers die achterna werden gezeten door een boze veldwachter. Ik herinner me dat ik zag hoe zij angstig (giechelend) rondjes door het lokaal rende, met een andere jongen als veldwachter achter haar aan.
In de roes die lijkt op ‘ik ben bij de tandarts geweest, had niks en hoef voorlopig niet weer’ bekeek ik het. Het jaar was bijna voorbij en de zomervakantie kwam er aan. Ik zou haar zes weken niet zien en een klasgenoot zat als veldwachter achter haar aan. En ik was aanschouwer. Publiek. Maar als een soort Samson hervond ik mijn krachten, als acteur. Ik stond plotseling op uit mijn bankje, in mijn overall. Ik greep de veldwachter vast. Ik zei dat hij niet op mijn land mocht komen, of zoiets. Ik redde mijn meisje! En verneukte hun stuk.
Oskar droomde het. Ik deed het. Dat was de eerste keer dat ik mezelf voor schut zette.
reageren